Wat is het?

Een bloedonderzoek kan veel informatie verschaffen in de diagnose en behandeling van patiënten. Het doel van het onderzoek hangt af van de gevraagde metingen, het gemeten tijdstip en je aandoening.

Hoe verloopt het?

Voorbereiding

Sommige metingen moeten nuchter bepaald worden. Je arts zal je verwittigen als dat het geval is.
Dit betekent:

  • minimaal twee uur voor heldere vloeistoffen (enkel water, thee en koffie);
  • minimaal zes uur voor een lichte maaltijd en melkproducten;
  • minimaal acht uur voor een normale maaltijd.

Onderzoek

Meestal zal bloed afgenomen worden van een ader in de elleboogplooi. Om de aders goed zichtbaar te maken, wordt een knelband om de bovenarm gespannen. De ader wordt aangeprikt en bloed wordt verzameld in een buisje.

Mogelijke complicaties

Er zijn weinig risico’s verbonden aan een bloedafname. Een lokale bloeduitstorting is mogelijk, maar vraagt weinig zorgen.

  • Een bepaalde groep van hartpatiënten neemt preventief ontstollende medicatie, type vitamine K antagonisten. Als dat het geval is bij jou, moet je de verpleging waarschuwen voor de bloedafname.
    De medicatiedosis moet afgestemd worden op de snelheid waarmee het bloed stolt, wat kan gemeten worden bij een bloedafname. Een te hoge dosis maakt het bloed te dun, waardoor elke kneuzing een ernstige bloeding kan teweeg brengen of spontane bloedingen kunnen optreden. Een te lage dosis is dan weer onvoldoende om de spontane klontervorming in het hart te onderdrukken, wat een beroerte kan veroorzaken. De mate van ontstolling kan bij sommige medicatie worden gemeten (INR bepaling).

Resultaat

In het bloed kunnen verschillende zaken gemeten worden. Hieronder worden enkele belangrijke metingen besproken.

NTproBNP-bepaling

BNP staat voor Brain Natriuretic Peptide, dat een eiwit is. Spiercellen in de hartkamer/ventrikels scheiden het eiwit af als ze lange tijd onder verhoogde druk staan. Een hoog NTproBNP-gehalte in het bloed kan het klinisch vermoeden van hartfalen staven. Een laag NTproBNP-gehalte in het bloed sluit hartfalen dan weer uit.

Troponinebepaling

Wanneer hartspiercellen tijdens een hartinfarct geen zuurstof krijgen, sterven ze af. Bij het afbreken van deze afgestorven cellen komen hartenzymen vrij. Als deze in het bloed worden aangetroffen, weet men dat het hart beschadigd is. Kort na het hartinfarct is het gehalte aan hartenzymen het hoogst, waarna het in een min of meer voorspelbaar verloop afneemt in enkele dagen.

Troponine is een gevoelige parameter van hartspierafbraak, en ook specifieker dan andere parameters zoals CK (creatine-kinase), SGOT (transaminase glutamaat oxaloacetaat), SGPT (transaminase glutamaat pyruvaat) en LDH (lactaatdehydrogenase).

Cholesterolbepaling

Cholesterol is een vet dat het lichaam nodig heeft als bouwstof. Het cholesterol wordt grotendeels aangemaakt in onze lever (90 %). Een klein gedeelte van het cholesterol wordt ingenomen via de voeding (10 %). Onder de vorm van kleine bolletjes circuleert het cholesterol in ons bloed.

Cholesterol wordt onderverdeeld in een LDL- en HDL-fractie. LDL-cholesterol transporteert vetten van de lever naar het lichaam. Is de LDL te hoog, dan is er te veel cholesterol in het bloed en kan deze zich verzamelen op de bloedvatwand. Hierdoor kunnen vernauwingen in de slagaders ontstaan.

De LDL waarde dient dus laag te zijn (slechte cholesterol). HDL-cholesterol verwijdert het afgezette LDL-cholesterol van de vaatwand en vervoert deze naar de lever. De HDL-waarde moet dus hoog zijn, aangezien zij het risico op vernauwingen vermindert (goede cholesterol). Wanneer het cholesterol gehalte in het bloed gemeten wordt, zijn de streefwaarden (voor primaire preventie):

LDL
<115 mg/dl (of <5,0 mmol/l)

HDL
mannen: >= 40 mg/dl (>=1,0 mmol/l)
vrouwen: >=45 mg/dl (>=1,2 mmol/l)

Wanneer je echter een hoog risico hebt op hart en vaatziekten (dit is bij secundaire preventie), kan de arts strengere richtlijnen nastreven.

Glucosemeting

Glucose is een suiker dat ons lichaam nodig heeft als energiebron. Ons lichaam maakt glucose aan uit koolhydraten van de voeding. Na de maaltijd stijgt het glucosegehalte in het bloed. Insuline zorgt ervoor dat het bloedsuikergehalte niet te hoog wordt.

Bij diabetes is het glucosegehalte in het bloed te hoog.

Er zijn twee mogelijke oorzaken:

  • Diabetes type 1: Deze patiënt kan geen insuline aanmaken waardoor het bloedglucose gehalte ongecontroleerd stijgt. Diabetes type 1 komt vaak voor bij jonge patiënten en wordt behandeld met insuline spuitjes.
  • Diabetes type 2: Deze vorm komt vaak voor op een latere leeftijd (ouderdomsdiabetes). In deze vorm wordt er nog insuline aangemaakt, maar reageert ons lichaam minder adequaat. Vaak is er sprake van een gecombineerd probleem van hoge bloeddruk, overgewicht en een verhoogd cholesterol.

Diabetes is een zeer belangrijke risico factor voor coronair lijden.

Een meting van het gehalte bloedsuiker moet nuchter gebeuren. Dit betekent:

  • minimaal 2 uur voor heldere vloeistoffen (enkel water, thee en koffie);
  • minimaal 6 uur voor een lichte maaltijd en melkproducten;
  • minimaal 8 uur voor een normale maaltijd.

De streefwaarden zijn:

Glucose
<110 mg/dl of <6.1 mmol/l.

In sommige gevallen zal men een extra testen uitvoeren:

  • Orale Glucose Tolerantie Test (OGTT): Deze test is een uitgebreide diagnostische test en wordt uitgevoerd wanneer een eenvoudige bloedafname aantoont dat er mogelijk diabetes aanwezig is. De test bestaat uit meerdere bloedafnames op vaste tijdstippen na het drinken van een glucosedrankje.
  • HbA1c bepaling: Bij diabetici treden er veranderingen op in het hemoglobine van het bloed. Deze veranderingen worden gemeten met HbA1c en zijn een meting van de bloedsuikerspiegel voor een langere periode.

Centra & specialisaties

Hematologie

Laatste publicatiedatum: 10/01/2020
Verantwoordelijk auteur: Dr. Elzo Kraemer Ximena