Onderzoeken & behandelingen

Reflux: chirurgische behandeling van reflux

Gastro-oesofageale reflux kan zowel chirurgisch als niet-chirurgisch (conservatief) behandeld worden. Hier bespreken we niet-chirurgische behandeling.

Wanneer aangewezen?

  • Er wordt geopereerd wanneer maagzuurremmende medicijnen en levensstijl aanpassingen onvoldoende effect hebben op de refluxklachten (falende medische therapie).
  • Ook kan een ingreep overwogen worden wanneer patiënten niet levenslang maagzuurremmende medicijnen willen slikken, de medicatie niet goed verdragen of niet getrouw innemen.
  • Een chirurgische behandeling wordt toegepast wanneer complicaties van reflux optreden zoals niet goed genezende of terugkerende slokdarmontsteking (oesofagitis), goedaardige vernauwing van de slokdarm (benigne strictuur), Barrett’s metaplasie (zonder ernstige dysplasie of carcinoma) of astma.

Verloop

Voorbereiding

  • Wanneer de patiënt volledig gezond is, zijn er geen specifieke voorbereidingen noodzakelijk. Wel worden rokers geadviseerd om te stoppen met roken gezien de verhoogde kans op een longinfectie, trombose (klonter in bloedvat) en wondinfecties.
  • Bij gekende longproblemen, zoals astma of emfyseem (COPD), moeten de longen in een optimale conditie gebracht worden alvorens de operatie uit te voeren.
  • De patiënt moet nuchter blijven vanaf middernacht de dag van de ingreep.
  • Bepaalde medicatie mag de ochtend van de operatie nog ingenomen worden: dit wordt door de behandelend arts bepaald. De inname van bloedverdunners moet gemeld worden: bepaalde types hiervan moeten gestopt worden enkele dagen vóór de ingreep.
Nissen-operatie

De ingreep

De operatie vindt altijd plaats onder algemene verdoving en meestal via een kijkoperatie (laparoscopie). Hierbij wordt de buik met koolzuurgas opgeblazen om een werkruimte te creëren en via vijf kleine gaatjes in de buikwand worden instrumenten geplaatst om de operatie uit te voeren. Een voordeel van deze methode ten opzichte van de 'klassieke' operatie is dat de opnameduur en de herstelperiode vaak korter zijn, doordat de wonde veel kleiner is.

In uitzonderlijke gevallen (bv. bij te veel littekenweefsel door vroegere ingrepen in de bovenbuik) kan dezelfde operatie via een klassieke insnede gebeuren, wat gepaard gaat met een groter litteken en iets langere ziekenhuisopname en herstelperiode.

De meest gebruikte operatietechniek is de Nissen-operatie (of Nissen-fundoplicatio). Hierbij wordt het deel van de maag dat in de borstholte ligt, teruggetrokken in de buikholte. Indien nodig wordt de te wijde doorgang in het middenrif vernauwd. De bovenkant van de maag wordt losgemaakt van de milt en vervolgens als een manchet achter de slokdarm doorgedraaid en vastgehecht aan de voorkant van de maag.

Er bestaan nog variaties op de Nissen-fundoplicatio waarbij de manchet niet volledig rondom de maag gedraaid wordt maar slechts gedeeltelijk zoals bij de Dor- of Toupet-fundoplicatio. Zeer uitzonderlijk wordt de ingreep via de linker borstkas een gedeeltelijke manchet gemaakt en wordt dan Belsey-fundoplicatio genoemd.

Na de ingreep

Slikfoto

Een slikfoto wordt verricht op de eerste dag na de operatie. Hierbij moet de patiënt een contrastvloeistof drinken om te zien of er een vlotte passage is ter hoogte van de slokdarm-maagovergang waar de manchet omheen ligt. Tevens kan zo een mogelijk lek (door het losmaken van de maag) uitgesloten worden.

Als deze slikfoto geruststellend is, mag patiënt starten met drank en met vloeibare, gemixte voedingsmiddelen. Tijdens opname wordt een diëtiste in consult gevraagd om het dieetadvies voor thuis uit te leggen en voedingsschema’s mee te geven.

Bij een vlotte inname van drank en vloeibare voeding, kan de tweede dag na de operatie het infuus verwijderd worden en kan de patiënt eventueel op ontslag gaan.

Ontslag

De duur van de hospitalisatie hangt af van een aantal factoren. Zo spelen leeftijd, de algemene toestand en de thuissituatie van de patiënt (bv alleenstaande) een rol. Ook zullen patiënten die geopereerd werden via een klassieke insnede vaak wat langer in het ziekenhuis blijven.

Mogelijke complicaties

Zoals bij elke operatie kunnen er enkele algemene complicaties optreden zoals nabloeding, wondinfectie, trombose of longinfectie … Ook deze complicaties kunnen voorkomen:

Schouderpijn

Pijn ter hoogte van de schouder(s) is een typische klacht die kan ontstaan na een laparoscopie en verdwijnt na enkele dagen spontaan. Dit komt doordat het gas dat gebruikt wordt bij de ingreep het middenrif prikkelt wat door het zenuwstelsel ter hoogte van de schouders gevoeld wordt.

Bloeding

Tijdens de operatie is vooral een bloeding aan de milt (of lever) de belangrijkste maar gelukkig weinig frequente verwikkeling.

Klaplong

Bij het losmaken van de maag die in de borstkas opgeschoven is, kan een klaplong (pneumothorax) optreden. Dit komt doordat het longvlies geperforeerd wordt, waardoor lucht in de borstkas geblazen wordt en de long gedeeltelijk toevalt. Hiervoor dient soms een drain (kunststofslangetje) ter hoogte van de borstholte geplaatst te worden die de lucht en het vocht tussen de longvliezen verwijdert en de long opnieuw laat ontplooien.

Diarree en maag-darmpassage stoornissen

Bij de ingreep kunnen de zenuwtakken die langsheen de slokdarm en maag lopen beschadigd worden met (meestal tijdelijke) diarree en maag-darmpassage stoornissen.

Maagperforatie

Uitzonderlijk kan door het losmaken van de maag van de milt of uit de borstkas, een maagperforatie ontstaan. Daardoor kunnen maagsappen in de buikholte lopen, waarvoor meestal een nieuwe operatie nodig is om deze perforatie te sluiten.

Resultaat

Bij gemiddeld 80 tot 90 % van de patiënten wordt een goede tot uitstekende verbetering van de reflux bereikt gedurende minimaal 10 jaar na de operatie. Bij minder dan 20 % van de patiënten zijn er nog blijvende klachten nadien.

Ongeveer 10 tot 15% van de patiënten met een Nissen-fundoplicatio hebben na afloop last van een meestal tijdelijk moeilijkere passage van voeding doorheen de slokdarm (dysfagie). Hierdoor kan de patiënt tot 10 % van zijn gewicht verliezen onmiddellijk na de ingreep. Deze dysfagie verbetert reeds na een vier- tot zestal weken. Bij aanhouden van de klachten of teveel gewichtsverlies moet contact opgenomen worden met de chirurg.

Ook kan opboeren van gassen in het begin moeizamer zijn. Hierdoor kan de patiënt klagen van winderigheid of een opgeblazen gevoel.

Wel is de selectie van de juiste indicatie (patiënt met aantoonbare klachten of slokdarmschade door gastro-oesofageale reflux) van essentieel belang om de beste resultaten te bekomen. Ook zijn er individuele verschillen en is de precieze uitkomst niet te voorspellen.

Richtlijnen voor thuis

Wondpijnen

Wondpijnen zijn in zekere mate normaal na een heelkundige ingreep. Deze pijnen kunnen een week aanhouden, bij hoesten of heffen kan je de pijn zelfs enkele weken voelen. Tijdens deze periode mogen zeker pijnstillers gebruikt worden. De intensiteit van de pijn dient wel alsmaar af te nemen. Bij toename van de pijnklachten worden de wonden best eens tussentijds gecontroleerd en wordt best contact opgenomen met de huisarts of chirurg.

Schouderpijn

Schouderpijn kan optreden na elke kijkoperatie als gevolg van de positie tijdens de ingreep maar ook door het opblazen van de buikholte met koolzuurgas. Het oprekken van het middenrif kan namelijk prikkeling veroorzaken van de zenuw die ook naar de schouder loopt. Deze schouderpijnen zijn niet verontrustend en ze verdwijnen doorgaans na enkele dagen.

Dieet

  • Bij een Nissen-operatie of antirefluxoperatie wordt de maag achter en rond de slokdarm geplaatst en met een aantal
    hechtingen vastgezet. Ter bescherming van de hechtingen is het nodig om de eerste weken de voeding aan te passen.
    Na de contrast-slikfoto wordt gestart met drank en vloeibare, gemixte voedingsmiddelen. De eerste 14 dagen na de operatie
    mag enkel vloeibare of gemixte voeding genuttigd worden (stap 1).
  • Vervolgens kan langzaamaan overgeschakeld worden naar zachte voeding (stap 2). Gezien opboeren de eerste weken na de ingreep moeilijk lukt, dienen koolzuurhoudende dranken absoluut gemeden te worden.

De opbouw van het dieet kan je uitgebreid terugvinden in onderstaande brochure.

Medicatie

Na de ingreep zal meestal geen antirefluxmedicatie meer nodig zijn.

Hechtingen

Hechtingen mogen door de huisarts verwijderd worden op de tiende dag na de ingreep. Tot die tijd wordt de wonden best afgeschermd tegen water. De verbanden mogen ververst worden wanneer ze vuil zijn of loskomen.

Beweging

Bewegen is aangewezen van zodra de pijnklachten dit toelaten. Door snelle mobilisatie vermindert de kans op vorming van bloedklonters in de bloedvaten. Het bewegen moet wel binnen de pijngrens gebeuren, met sporten wordt best een drietal weken gewacht om een kleine littekenbreuk te vermijden ter hoogte van de insnede. Na de ingreep is algemene vermoeidheid gedurende enkele weken normaal.

Brochure

Meer informatie over de (chirurgische) behandeling van reflux kan je lezen in onderstaande brochure.

Centra & specialisaties

Algemene chirurgie
Digestief Centrum

Laatste publicatiedatum: 14/11/2019
Verantwoordelijk auteur: Dr. Pletinckx Pieter, Dr. Vanderstraeten Erik